GIF 16: Enge beestjes

Leven als Godelieve in Frankrijk
Na tien jaar zoeken eindelijk ons droomhuis gevonden in de Auvergne, Frankrijk. Lees hier de belevenissen van (leven als) Godelieve in Frankrijk.

16. Enge beestjes

Behept met spinnenangst kreeg ik op een dag een zoon die van jongs af aan verzot bleek op deze diertjes. Niet alleen kon hij urenlang naar de heg staan staren om een studie van de verschillende soorten webben te maken, nee, toen hij op een dag permissie kreeg om zich buiten de tuin te begeven bestond hij het om uit de hele buurt spinnen op te halen en bij ons in de heg te plaatsen. Een keer gilde hij van achterin de tuin met zijn hoge stemmetje: ‘Mamááá, kom kíjken, ze gaan páren!’ 

Het hielp me niet van m’n spinnenangst af, maar ik vond wel dat ik aan hem verplicht was op z’n minst de schijn op te houden dat ik ze niet eng vond. Ik wilde hem namelijk niet hetzelfde trauma bezorgen. Zeker niet nadat ik een keer in een van mijn Eenden reed met goede vriend Zw ernaast en er ineens een spin aan een draadje voor mijn neus hing. Ik trapte vol op mijn rem (luid getoeter achter me) en gilde het uit: ‘Waaah, een spín!’ waarop Zw onmiddellijk met zijn armen begon te maaien en het dier dus ergens – maar ja waar? – belandde.  Ik ben toen toch maar in therapie gegaan waar ik leerde om in ieder geval niet zo panisch te reageren. Maar overwonnen heb ik die angst niet.

Logisch dus om een huis in Frankrijk te kopen, want daar heb je geen enge beestjes. Helemaal niet zelfs. Wat je wel hebt zijn enge beesten: grote zwarte spinnen, hornaars (grote wespen), vreemde torren en nog veel meer. Toen we na acht maanden eindelijk weer naar ons huis konden (zie GIF 14: En route) verwachtte ik dan ook een invasie van deze fijne diertjes. Het viel reuze mee. Geen woud aan dode vliegen, zoals die allereerste keer toen het huis net opgeleverd was. In feite lagen er nauwelijks vliegen – slechts één grote dood uitziende zwarte spin en de gebruikelijke hoeveelheid dode bijen; wij hebben in een van de schoorstenen namelijk een bijennest en deze darren zijn  af en toe de weg kwijt waardoor ze in huis terecht komen en dat niet overleven. Nieuw waren de ultra kleine, venijnige miertjes die ik buiten op mijn benen aantrof, nadat we de tuinmeubelen buiten hadden gezet en eentje mij gebeten had; hij moest dit met de dood moest bekopen, ja hoor ‘es. Er volgden er nog een paar die hetzelfde lot ondergingen, maar verder leek het buiten tussen de molshopen en een enkele bezoekersdrol rustig. 

Cetonia aurata (obv)

Cetonia aurata (rev)

Binnen ontdekte ik evenwel een nieuw fenomeen. Hadden we in het verleden wel te maken met keverachtige diertjes die in eerste aanblik op lieveheersbeestjes lijken, maar dat toch niet blijken te zijn, nu trof ik in de spoelbak van de keuken een gouden tor aan. Hij lag mij zeer stilletjes tegemoet te blinken, want oprecht goudkleurig. Aangezien het diertje er nogal erg dood uitzag durfde ik het zelfs – met een papiertje (held!) – uit de wasbak te halen en het op zijn rug te leggen. Ook de onderkant was prachtig om te zien. Verguld (!) met deze vondst besloot ik beide zoons te appen met een fotootje, daar de oudste biologie is gaan studeren en mij vast wel kon vertellen wat voor exemplaar dit was. Met hulp van Wiki  besloten we dat het de Cetonia aurata moest zijn; het patroon leek beslist hetzelfde. Het ontlokte zoonlief wel de opmerking: ‘Nou zouden die boekjes van de zolder mooi van pas komen, toch?’ Immers, in de opruimwoede (zie GIF 14: En route) moesten er keuzes gemaakt worden, óók in de boeken die bewaard mochten worden of die naar de kringloopwinkel zouden verhuizen.

Ik appte terug: ‘Gdskl ja. Dat is altijd zo, als je iets wegdoet heb je het vervolgens nodig 🙄.’ 

En in de volgende app: ‘Gelukkig ben ik niet zo goed in weggooien 😓.’ Inclusief een foto van het ‘enge beestjes boekje’ van de IVN uit 1995. Want ons huis in Frankrijk heeft ruimte, heel veel ruimte, waar heel veel spullen naartoe kunnen die we thuis niet (meer) kwijt kunnen, maar waarvan het oh zo moeilijk is om weg te doen. En dus hebben we afgesproken om vooral spullen naar Frankrijk te vervoeren met de heilige belofte dat ze nooit, nooit, nooit meer terug naar Nederland zullen gaan.

Toch nog even terug naar de Gouden Tor. ’s Avonds vroeg ik aan Jean of hij de gouden tor had weggegooid; ik had hem immers op een tafeltje gelegd om te fotograferen, maar er verder niets mee gedaan. ‘Nee’ sprak hij beslist. Uiteraard twijfelde ik daar kortstondig aan (die man heeft het echt heel zwaar bij mij), maar dacht vervolgens dat ie wellicht weggewaaid was; hoe doder hoe lichter immers. Ik dacht er dan ook verder niet meer over na totdat ik de volgende ochtend in de slaapkamer ineens een gouden tor zag kruipen…. Nee hè? In de slaapkamer mogen alleen een paar hooiwagens hoog in de oksels van het plafond resideren, de rest moet zich elders in huis – of nog beter: buiten! – ophouden. Lafhartig haalde ik de spinnenvanger, maar het diertje had zich tegen de muur gedrukt waardoor ik dit buitengewoon handige en diervriendelijke hulpstuk er niet overheen kon zetten. Het werd stoffer en blik. Zodra ik hem zachtjes doch beslist op het blik had geveegd ging ie in de doodstand liggen. Hij zag er exact zo uit als toen ik hem in die spoelbak vond: stokstijf, voor ‘dood’, roerloos, blinkend. Weer wat geleerd. Ik heb hem een gouden bestaan toegewenst toen ik hem vervolgens met een besliste beweging het huis uitzette. 

Was hiermee een einde gekomen aan de gouden torren’invasie’? Neen. Een paar dagen later hoorden we in de slaapkamer een luid, zéér luid gebrom waarna we een eng grote, zwart uitziende buzzende bal met hoge snelheid van links naar rechts door de kamer zagen scheren. Wat was dat in vredesnaam voor griezel? Een enorme hommel? Een hornaarachtige? We hadden geen idee, maar konden het dier vervolgens nergens meer lokaliseren. Shit. Panisch bij de gedachte dat er iets op mij zou nederdalen als ik onder de douche stond besloot ik na grondige inspectie toch maar de cabine in te stappen om me vervolgens in hoog tempo te douchen. Bij het aankleden viel mijn oog op een beweging op de grond, naast mijn tas. Voor mijn doen zeer rustig riep ik naar Jean: ik heb hem gevonden! Het bleek een (dé?) gouden tor te zijn. De sukkel was op zijn rug beland en lag als een gek met zijn pootjes in het rond te maaien. Het leek er niet op dat hij zich gemakkelijk om kon draaien en dus haalde ik de spinnenvanger uit de keuken. Helaas wilde het diertje niet eenvoudig op het plateautje schuiven (de spinnenvanger is een stok met aan het eind een kegelvormige doorzichtige ruimte met een half open bodem. Je zet de open helft over het insect en draait dan aan de stok waardoor de onderliggende andere helft van de bodem dichtschuift. Door langzaam te draaien kun je de gevangene zachtjes op het vaste deel duwen, de bodem helemaal dichtdraaien en het dier buiten zetten. En ja, ik doe dat. Consequent. Ik wil ze niet in mijn slaapkamer maar ze hoeven niet dood). Daarom haalde ik er een hulpstuk bij in de vorm van een bierviltje. Met zachte hand (via het viltje) wist ik deze gouden jongen op het plateautje te krijgen, draaide de bodem zachtjes dicht en wierp hem vervolgens in de bramenstruiken bij de voordeur. C’est fait, dacht ik tevreden bij mezelf; weer een kraker uitgezet. Of de uit huis geplaatste ook dé Gouden Tor was of een familielid weet ik niet. Wel hoop ik dat onze slaapkamer vanaf nu geen landingsbaan meer voor deze vliegende gevaartes zal zijn – hoe beeldig blinkend ze in doodse stand ook zijn. ‘t Is immers niet alles goud wat er blinkt…  

Franse les:
C’est fait: het is gebeurd/gedaan.
La vanité, comme les insectes, se repaît de petits riens: ijdelheid voedt zich, net als insecten, met kleine dingen.